chantalbreukers

voorbereidingen en ontvangst.

voordrachten:

modeste, hans maarten van den brink, marcel faber, f. starik, anastacia larmonie, hans aarsman,

klaske oenema, remy jungerman, maria barnas en pj roggeband.

WELKOM bij het feest van de onmogelijkheid,
een middag die gaat over de vraag of transsubstantiatie thuishoort in de kunst.

Het was onderdeel van mijn jeugd: rituele handelingen en onbegrijpelijke woorden die nergens houvast
boden maar tegelijk heel normaal waren. Die geen enkel doel leken te hebben maar toch –en vaak in
grote ernst- werden uitgevoerd en uitgesproken, in eerbied herhaald.
Je begreep als kind dat ook volwassenen niet helemaal konden uitleggen wat die woorden, gebaren en
rituelen betekenden. En dat stelde gerust, als zij het niet begrijpen hoef ik het al helemaal niet te snappen.
Gewaden, gemompel, gebaren, geuren, smaak, kleuren en klanken, hoe onbegrijpelijk ook waren tegelijk
heel normaal. Het hoorde –kennelijk- bij het dagelijkse leven. Het was net zo vreemd of normaal als veel
andere dingen in het leven. Oh sewiese wohhh ze wiesewollah kristolla klonk niet veel anders dan
‘mea culpa mea culpa mea maxima culpa’.
‘Neemt en eet allen hiervan want dit is mijn lichaam’, was net zo magisch als de prinses die de  glibberige
kikker zou zoenen om te weten dat het een prins is.
‘… want dit is het bloed van Christus’, vond ik minder. Het werd nu wel heel bloederig. Zelfs de wolf slokte
roodkapje in één hap op, daar kwam geen druppel bloed aan te pas.

Er werd spelenderwijs een bereidheid ontwikkeld om te geloven. Niet anders dan de vreemde en tegelijk
vertrouwde waarheid van sprookjes en sommige straatspelletjes: iene miene mutte had ook et fi fi spiritum
kunnen zijn. Neemt niet weg dat je tegelijk een kritisch zin ontwikkelde:
de presentatie, het bééld rond al deze onbegrijpelijkheid moest wel kloppen! Steeds als ik de lange broek
onder het kazuifel van de priester uit zag komen was ik toch van de wijs gebracht. Het was vast niet de
bedoeling dat je die broek zag? Eigenlijk vond ik de schoenen al storend; moet hij niet op blote voeten
lopen?
Hoe alledaags ook, het bleef indrukwekkend.
De wierook, de kaarsen, het geprevel, het brood en de wijn, het lichaam en bloed:
'neemt en eet allen hiervan want dit is mijn lichaam…’  menig kunstenaar-performer kan hier jaloers op zijn; 
met een paar woorden zet deze uitspraak een proces van betekenen in gang.

Komt hier de kunst in beeld? Hebben katholieke kunstenaars een gevoeligheid tot betekenis-geven met de
paplepel meegekregen? Met tegelijk het besef dat het beeld moet kloppen!
Hoe raadselachtig ook; de vorm verklaart de inhoud.
In die zin is Jezus de ultieme conceptuele kunstenaar, een performer bij uitstek. Het brood vermenigvuldigen
of een flesje limonade in de zee leeggooien is allebei een ode aan het onverklaarbare.
Met een zekere plechtigheid uitgevoerd, in het besef dat de vorm ertoe doet.

Veel conceptuele kunst kent de betekenisloze handeling, kunst die nergens toe leidt en juist daardoor heel
betoverend kan zijn. Samuel Beckett, James Joyce met verhalen zonder clue, Francis Alÿs, David Claerbout, 
(eigenlijk alle Belgische kunstenaars) of Marijke van Warmerdam maken werk waarin handelingen door
herhaling, uitvergroting of vertraging een heel nieuwe, soms onbereikbare betekenis krijgen.
Het zinloze zwoegen van Francis Alÿs wanneer hij een enorm blok ijs door de straten van Mexico City duwt
tot deze is gesmolten, kalm volhardend en in alle rust uitgevoerd. En juist door die rust kan er ruimte voor
verbeelding kan ontstaan.
Net als de monnik uit de Kellendonklezing van Hans Maarten van den Brink houden ook veel kunstenaars
lange wandelingen. Zijn min of meer zonder doel op weg. Op zoek naar niets.
Hooguit naar een verzoening met het onbegrijpelijke.